De Staffordshire Bull Terrier

 

Zijn oorsprong, ontwikkeling in Nederland, de fokkerij en de raspunten  

De ontwikkeling van dit Engelse vechthondenras begon eigenlijk pas goed in de dertiger jaren van de vorige eeuw (negentiende eeuw red.)

Vooral na de wet op Bull-Baiting (1835) begon men zich steeds meer toe te leggen op de gevechten tussen honden onderling. Om de toenmalige Bulldoggen meer temperament en behendigheid te geven, kruiste men deze honden met Terriers welke gebruikt werden voor jacht op roofwild, het verdelgen van ongedierte en ook in de “Ratpit”. Deze Terriers immers hadden een sterke passie tot doden, ze waren bovendien veel ranker, atletischer, of , zoals onze zuiderburen zeggen: “Rapper”.

Hoewel de resultaten van deze kruisingen natuurlij zéér uiteen liepen, vertoonde toch een aantal honden die gewenste eigenschappen. Het waren gedrongen, tanige en oersterke dieren, een zwaar bijthofd en een enorme gepassioneerdheid tot het gevecht.

“Dead game” moesten ze zijn. Doorvechten tot het einde, ook bij een verloren strijd. De selektie was zwaar. De zwaarst denkbare. Het merendeel kwam niet eens toe aan de Pit (vechtring), doch viel af tijdens selektie of onmenselijk zware training. Van hen, die wel in de Pit kwamen stierven meestal de verliezers en vaak zelfs de winnaars. Zo ontstond zeer snel een sterk type hond.

 

De eigenschappen

Passie tot vechten, geen drang tot zelfbehoud, wanneer in extase, beweeglijk, sterk en in staat zich zonder al te grote verzorging van de zwaarste verwondingen te herstellen. Maar ook: zéér betrouwbaar en aanhankelijk voor de mens en vooral voor kinderen. Voor onbetrouwbare honden hadden de arbeiders, welke zich met de vechthonden “sport” bezighielden, namelijk gewoon geen plaats. De vechthond was, wanneer niet in training was als regel in huis, valsheid kon dus niet geaccepteerd worden en wanneer een hond tegenover eigen mensen niet vertrouwd was, vond hij snel een roemloos einde.

 

 

Erkenning als “Stamboom” ras. 
Pas in 1935 werd de Staffords door de Engelse “Kennel Club’ als ras erkend. De naam Bull Terrier was toen reeds vergeven aan zijn tentoonstellingsnazaat, de naam “Pit-Bull”of Fighting Dog lag, gezien het toen nog zeer recente vechtverleden wat zwaar op de maag. Men besloot tot “Staffordshire Bull Terrier” vooral omdat de arbeiders uit de “Black Country” (Staffordshire, dus) het ras altijd trouw waren gebleven en omdat de animators voor de Kennel Club erkenning zowel als de eerste geregistreerde honden uit die streek kwamen. Toch was de naam niet helemaal terecht, daar in Wales, Schotland en Ierland de oorspronkelijke vechthond ook bewaard was gebleven. Maar de naam doet er niet zoveel toe; belangrijker is, dat wij heden ten dage onze Pit Bulls, Bull Terriers of zoals ze nu dan heten Staffordshire Bull Terriers nog hebben.

Het karakter van de hedendaagse Stafford.

In tegenstelling tot wat velen denken, die het ras niet of nauwelijks meegemaakt hebben, is de Stafford geen afgestompte vechtmachine. Integendeel. Het is een voor zijn eigenaars (gezin) zéér gevoelige hond, welke door een te ruwe of te dressuurachtige opvoeding geheel gebroken kan worden. De Stafford is van nature erg gehoorzaam. Hij heeft een natuurlijke drang tot volgzaamheid en is alleen gelukkig in zijn gezin. Men dient er echter terdege rekening mee te houden, dat voor een volwassen Stafford de passie voor het gevecht vaak groter is dan de gehoorzaamheid en eenmaal in gevecht zal hij dit niet vrijwillig beëindigen. Daar deze gepassioneerdheid een wezenlijk onderdeel van het karakter uit maakt (behoort te maken) is het ook onjuist een Stafford te bestraffen voor een vechtpartij. Dit maakt de hond vaak onzeker en beter (eenvoudiger) is het, vechtpartijen te vermijden.

Over het algemeen is het zo, dat de Stafford niet ruziezoekerig is met andere honden. Vaak zijn ze vrij ongeïnteresseerd voor soortgenoten, uit de weg gaan echter zullen ze (zeker wanneer ze de smaak geproefd hebben) het ook niet.

Verder schijnt de Stafford een allemansvriend, staat graag in het middelpunt der belangstelling, doch blijft donders goed weten wie de baas is.

Waaksheid is geen ras-kenmerk, wel zullen ze geneigd zijn snel de minder dominerende gezinsleden bij afwezigheid van de baas te beschermen (vrouw en kinderen) en bij werkelijk onraad is de Stafford een uiterst fanatiek verdediger van zijn gezin.

Staffords in Nederland

Hoewel de Stafford in Engeland na zijn erkenning doorstootte naar een populariteit, is hij in Nederland lang een onbekende gebleven.

In het midden der 50-er jaren is er een poging gewaagd het ras wat meer bekendheid te geven, er verschenen enkele (twee als ik het goed heb) Staffs op een aantal tentoonstellingen en Dhr. K. van der Bent schreef er een artikel over in “De Hondenwereld” (zie elders op deze web-site red.) Daarna was er weer jarenlang grote stilte.

Gedurende deze periode waren er altijd wel een aantal Staffords ingeschreven bij de Raad van Beheer. Meestal van mensen welke het ras in Engeland hadden leren kennen en waarderen maar verder absoluut niet geïnteresseerd in kynologie of fokkerij.

Deze situatie duurde voort tot het begin van de 70-er jaren op welk tijdstip er weer een Stafford op tentoonstellingen verscheen, nl Sevenoaks Slenkge, toen in bezit van mevr. Schneider-Louter. Sevenoaks Slenkge was de eerste Stafford die ik in levende lijve aanschouwde. Ik ‘ontdekte’ haar in de katalogus van de “Winner” tentoonstelling 1970, maar was zelf niet op de juiste dag geweest.

Dit euvel kon worden hersteld door een telefoontje naar Mevr. Schneider en kortelings daarna togen mijn vriend Nicolai Grishkov en ik op pad teneinde het kynologisch fenomeen te bewonderen waarover ik hem, en m’n verdere omgeving- , tot vervelens tot geïndoktrineerd had.
Dit bezoek had verstrekkende gevolgen. Zelf had ik al jarenlang tentoonstellingen bezocht, stad en land afgestroopt naar alles wat er op het gebied van hondenlitereatuur te vinden was, was sinds m’n 14 e eigenlijk vastbesloten later Bull Terriers te gaan houden, was lid van die club (maar bezat een Boxer, welke bijna 11 jaar werd en mij grote affektie voor het ras bezorgde) maar was ook mateloos geïntrigeerd geraakt door de afbeelding van de Staffordshire Bull Terrier in Toepoels Hondenencyclopedie (3 e druk) nl. “Fearless Red of Bandits”. Het was de eerste Stafford foto welke ik onder ogen kreeg, maar ook nu, na er duizenden in natura gezien te hebben, zo’n 200 gefokt en een twintigtal bezittend, blijf ik het een van de mooiste, meest typische Stafford foto’s vinden. Deze afbeelding weerspiegelt het ras in z’n diepste essentie. Maar goed, om op m’n verhaal terug te komen. Het bezoek van Nico en mij konkretiseerde mijn belangstelling voor Staffords.

 Mevr. Schneider was al bezig geweest om kontakten te leggen voor de import van een reu, waarvoor Nico grote belangstelling had, zij voorzag ons van de nodige informatie, en ik nam de onderhandelingen over. Enkele bezoeken naar Engeland volgden en in de zomer van 1971 toog ik naar Mrs. Lacey, Doddiscombleigh om het reutje voor Nico uit het nest te kiezen. Dit werd “Martyr’s Dutch Joe”.

“Joe” en Nico werden ware ambassadeurs voor ons ras, “Joe” was een rode reu van een fraai (hoewel wat overdadig bespierd) type en behaalde een groot aantal kampioenschappen en “Winner”titels. Sevenoaks Slenkge kwam later in mijn bezit, beide honden behaalden hun definitieve kampioenstitel en werden de ouders van Ned. Int. Kamp. Melmar’s Admiral Avalanche wiens bloedvoering daarmee goeddeels bepaald werd door Ch. Linksbury Augustus. Admiral Avalanche in bezit van John van Doesburg thans ruim 12 jaar oud en nog steeds 100% Stafford (waarmee gezegd wil worden, dat een oude vos z’n streken niet verliest.”. Zijn eigenaar hielp mee met de oprichting van de Staffordshire Bull Terrier Club en was enige jaren sekretaris alsmede redakteur van het clubblad. Het was ook in de periode 1971-1975 dat ik de gelegenheid had, in de weekeinden kosteloos naar Engeland te varen, vrijdag ‘s avonds heen; ’s maandags terug. Zodat de koorts pas goed toesloeg.

En, zoals ik al opmerkte, Staffords genoeg in Engeland. Wel viel al snel de rose bril af waardoor ik het ras bekeek, er rammelde nogal wat. Eenheid was er niet, de “Raspunten”werden (en worden) op tal van punten genegeerd en naarmate ik er beter in thuis begon te raken, raakte ik meer en meer onder de indruk van de enorme hoeveelheid onzinnige informatie, welke zonder enige terughoudendheid mijn kant opgeschoven werd.

Het is bekend dat de Engelse Kynologie vaak van de nood een deugd pleegt te maken ( De Engeland verheerlijking van veel kynologen begrijp ik steeds minder) bij de Staffords maakte ze van de nood een ramp.

Toen ik met een eerste nestje tegen twee open verhemelten aanliep, terwijl in diezelfde periode Hans Lachat in Duitsland een nestje fokte dat uitsluitend uit misére bestond, begon ik, aanzienlijk kritischer dan voorheen in Engeland te informeren naar dergelijke zaken. Ook schreef ik er enkele stukjes over, o.a. in “The Stafford”, het magazine van de Southern Counties.

Van het ‘esthablishment” werd ik niet veel wijzer daaromtrent, van de zijde van voornamelijk zeer kleine en/of gelegenheidsfokkers des te meer. Sommige topdekreuen bleken een spoor van ellende achter te laten, halve nesten verdwenen in de vuilnisbak. Open verhemelten, knikstaarten, gedegenereerde pups. Terwijl er als gevolg van het totaal negeren van de hoogte/gewicht clausule in de rspunten er ontstellend veel bulldogachtigen exemplaren rondliepen. Voornaamste kenmerken: abnormaal diepe en grote hoofden, slechte hoekingen, slecht gangwerk (hoe kan het ook anders) en rugbelijning.

Een wat hoger op de benen staande hond van het juiste type moest ongeveer volmaakt zijn, om temidden van deze onzalige trendvolgers nog iets klaar te maken. Ook de keizersnede begon bij het werpen een meer en meer geaccepteerd ongenoegen te worden.

Een situatie kortom die veel kynologen vertrouwd in de oren zal klinken: fouten onder tafel werken, erfelijke gebreken ontkennen en maar fris verder – mijn honden zijn heilig.

Een intensieve speurtocht naar zuiver gebleven “game-strains” bleef onbeloond, hoewel er toch nog wel véél Staffs rondliepen van uitzonderlijke kwaliteit was er niets meer te vinden wat enige fokzuiverheid bezat. Ook in Ierland waar destijds zoveel goede game-dogs waren was niets meer te vinden dan een enkele uitgekruiste afstammeling en een allegorie van de Engelse tentoonstellingsfok.

Uiteindelijk importeerde ik twee dochter van Ch. Christopher of Geneva, één tamelijk doorgefokte teef uit een Ch. Game Flash afstamming, twee dochters van Ch. Westpoint Warrior ( slechts één ervan was bruikbaar voor de fok) en voor Nico Grishkov een teefje van Ch. Ashstock the Miller welke moederszijde verwantschap had met Christopher of Geneva.

De eerste jaren waren de resultaten van de fokkerij zéér wisselvallig. Erg veel verschil in maat en type, regelmatig voorkomende Bulldogstaartje (kinkytails) en tweemaal een keizersnede, kortom weinig om echt blij mee te kunnen zijn.

Dit artirkel wordt vervolgd in een andere uitgave van de Hondenwereld: februari 1985