Onderstaand artikel is verschenen in de Hondenwereld augustus 2001 en geschreven door mevrouw Hadewich van Wessem, van zowel mevrouw van Wessem als van de Hondenwereld heeft Staffjoy’s toestemming ontvangen om het artikel om de website te plaatsen.

 

 Type: laat het niet verloren gaan!

 Met het komend fokbeleid en de MAG test wordt in sterke mate gewaakt over de gezondheid en karakter van onze rashonden. Heel veel wordt in regels vastgelegd,het kan bijna niet meer mis gaan, zou je zeggen.

Maar één ding wordt nergens vastgelegd en dat is in onze rashondenfokkerij minstens net zo belangrijk als gezondheid en karakter: TYPE


Elke serieuze fokker zal in zijn fokkerij drie zaken nastreven: schoonheid, gezondheid en karakter, waarbij alle drie even zwaar moeten wegen.

Immers, wie wil een mooiehond met een slecht karakter of een slechte gezondheid of een mooie en gezonde hond met een slecht karakter? En op het fokken van alleen een gezonde hond met een goed karakter hoeven we ons niet speciaal te gaan toeleggen: de dierenasiels zitten er vol mee.

 

In de regelgeving zal in de toekomst grote aandacht worden besteed aan gezondheid en karakter, sterker: het lijkt wel of dat het enige is dat nog telt. Want, is de redenatie, in het fokbeleid van de meeste verenigingen staat dat de hond één of twee keer een Zeer Goed behaald moet hebben, alvorens hij/zij voor de fok mag worden ingezet, dus met dat exterieur zit het wel goed.

 

Het zit helemaal niet goed. Als we tevreden zijn met het fokken met ZG of magere U honden staan we stil en zoals dat overal geldt, geldt dat ook in de hondenfokkerij: stilstand is achteruitgang. In sommige rassen worden fokkers die zich met hart en ziel toeleggen op het fokken van mooie honden bijna als paria’s behandeld. Alsof het fokken van “mooi” het fokken van “gezond” zou uitsluiten!

Boven weten we ook dat het behalen van een Zeer Goed of zelfs Uitmunted een fluitje van een cent is. Er zijn maar weinig keurmeesters die zich aan de letterlijke vertaling van deze twee kwalificaties houden; je moet al een zeer matige (!) hond hebben om geen ZG te kunnen halen.

Dat betekent dat we met het implementeren van deze eisen in ons fokbeleid niet genoeg doen om eht type van onze rashonden in de toekomst vast te houden en/of te verbeteren.


UITGEKNIPT SILHOUET

Wat is type eigenlijk? Type is dat wat een ras onderscheidt van alle andere rassen, het ondefinieerbare “iets” dat zo kenmerkend is dat het ene ras nooit verward kan worden met het andere. Een Engelse keurmeester omschreef het eens als volgt: “type is the toal sume of those points which make a dog look like his own breed and no other and make him fit the standard for that breed”.

De kenmerken die een rastype bepalen verschillen. Ik zag ooit eens in Amerika in de erering een Engelse Bulldog die geen enkele moeite had om een Boxer bij te houden. “Fantastisch” zeggen fokkers die alleen voor gezondheid gaan. “Foute boel”, zegt de echte rasliefhebber – er is immers niets zo typisch als het gangwerk van een Engelse Bull!
Als we het rastype gaan verwaarlozen, lopen we groot gevaar te blijven zitten met een soort eenheidshond – een uitgeknipt silhouet van karton waar we zelf de vacht op kunnen inkleuren en aftekeningen op kunnen aanbrengen en die we dan naar wens kunnen vergroten of verkleinen.

Sommige rassen zijn moeilijk te onderscheiden, vooral als je ze niet zo goed kent. Ik volgde een paar jaar geleden de groepskeuring van de jachthonden op de Wereldtentoonstelling in Brussel en zag tot mijn verbazing twee pointers de ring binnenkomen. Het bleek echter dat de ene een Braque St. German was,die volgend de kenners van dit ras wellicht iets te verfijnd was en daardoor te kort schoot in rastype – vandaar de verwarring. Om een wat meer alledaags voorbeeld te geven: kunt u het verschil zien tussen een Leonberger en een Estrela?

Voor de kenner is er een groot verschil tussen de Pyrenëer, de Maremma en de Kuvasz – maar zien wij die verschillen ook?

Ziet u meteen of u met een Welsh of met de Lakeland Terrier te maken hebt of met een Cesky of een Glen of Imaal?

 

GROTE HARIGE HOND

Welke kenmerken zijn het meest bepalend voor type? Ik denk dat dat belijning is, hoofd,gangwerk en beharing. Belijning komst als eerste. Logisch: want als de hond als silhouet voor u zou staan, mag u geen twijfels hebben over welk ras het is.
Bij sommige rassen zijn de hoofden belangrijker dan bij andere rassen,maar het is niet alleen de vorm van het hoofd. De plaats en de kleur van de ogen en de vorm en plaats van de oren spelen ook een rol. Voor de meeste rassen geldt echter dat met name het hoofd dat ras onderscheidt van andere rassen. Vergelijk b.v. een Engelse met een Amerikaanse Cocker of een Welsh Springer met een Engelse Springer.

 

Harry Baxter beschreef ooit eens een Otterhound die het typische majestueze Otterhound-hoofd miste, als “een grote harige hond”.

In heel veel rassen is het gangwerk een typische eigenschap – en dit kenmerk gaat bij een “eenheidshond” maar al te gauw verloren. Soundness is natuurlijk heel belangrijk, maar een hond moet voor alles het gangwerk vertonen dat typisch is voor het ras waartoe hij behoort.In de rasstandaards komen we een enorme variatie aan woorden tegen om het gangwerk te beschrijven: vrolijk, levendig, sloffend, verend, trippelend, stijlvol, zwierig, stelterig, vrij; ze worden allemaal gebruikt om het correcte gangwerk voor de verschillende rassen te beschrijven. Een Chow-Chow heeft een zeer eigen rastypisch gangwerk, net zoals het Italiaans Windhondje of b.v. de Bobtail. De standaard van de Engelse Springer Spaniel, waarin telgang is toegestaan, vermeldt zelfs “movement”: strictly his own”.

Beharing, met inbegrip van kleur, structuur en aftekeningen is duidelijk herkenbaar maar ook makkelijk te verdoezelen. Praktijken als verven van honden met een vale vachtkleur of spuitbussen volhaarlak er op spuiten laat ik even buiten beschouwing want dat is in een groot aantal landen al verboden.

Maar ook het vakkundig showklaar maken kan de verkeerde structuur van een vacht “verbeteren”en een deskundige keurmeester meot het bedrog in de gaten hebben, of in ieder geval toch op zijn minst honden met een duidelijk verkeerde vacht herkennen!
Met geraffineerd trimwerk kunnen veel constructiefouten van de hond worden verborgen of verdoezeld. Het is het goed recht van iedere exposant om zijn hond zo voordelig mogelijk te presenteren, maar het is de plicht van de keurmeester om niet in die valkuil te lopen!.

 

PAPLEPEL

Voor het op peil houden van een ras is het goed als het ras gekeurd wordt door een evenwichtige samenstelling van keurmeesters, d.w.z. door echte rasspecialisten afgewisseld met af en toe een allrounder. Waar een rasspecialist misschien ernstige fouten over het hoofd zal zien om dat die zo ingeburgerd zijn in een ras dat niemand er meer op let – wat bij een allrounder niet het geval is – zal een allrounder daarentegen geneigd zijn om te kiezen voor de hond die het beste gangwerk heeft, ook al is dit niet het voor het ras kenmerkende gangwerk.

Tegelijk is het van groot belang dat allrounders de moeite nemen om zich in een ras te verdiepen om te leren zien wat het is dat dit ras uniek maakt. Het gebeurt maar al te vaak dat keurmeesters vallen voor de “shower” die door zijn handler in hoog tempo wordt voorgebracht; of ze baseren hun keuze op het beeld van de fraai in stand neergezette “geboetseerde” hond.

 

De optelsom van al deze kenmerken is rastype. We praten niet voor neits over een “supertypische” hond of een hond “met een schitterend type”. En als die supertypische hond dan nog sound is ook, dan komen we heel dicht bij ons ideaal.

Maar is dit supertype nog wel ons ideaal? Streven werkelijk alle fokkers naar de ideale hond? Of stelt het merendeel zich tevreden met het fokken van een paar nestjes per jaar met ouders die met enige moeite hun ZG’s gehaald hebben, maar o, zo gezond en reuze lief zijn? Is er nog wel ambitie om het ras te verbeteren? Als je voor een ras gekozen hebt,heb je dat toch gedaan omdat je mooie exemplaren van dat ras zag en niet vanwege het feit dat de buren toevallig een soortgelijk hondje uit het asiel hebben gehaald. Wil je dan niet proberen ook zo’n hond te fokken?

Een van de eerste regels die mij werd voorgehouden toen ik pas begon was “fok altijd een dochter die mooier is dan de moeder en wees niet tevreden met minder”. Ik zou willen dat meer fokkers dit principe met de paplepel ingegeven hadden gekregen. 
 

Nu alles in regeltjes vastgelegd gaat worden, behalve dat éne belangrijk, is de enige instantie die zich misschien nog wil inzetten voor behoud van type binnen het ras waarvoor zij verantwoordelijk zijn de rasvereniging.

 

Alleen de rasvereniging kan de fokkers nog stimuleren om niet tevreden te zijn met een middelmatig nestje – ook al voldoet dat aan alle fokbeleideisen. Stimuleren kan gebeuren door het houden van nestevaluatie,nakomelingendagen enz. waarbij de ouderdieren en de kinderen (liefst minstens een jaar oud) worden uitgenodigd en waar een keurmeester de kwaliteit van de ouders en het nest bespreekt en daarbij niet bang is om misschien wat harde uitspraken te doen. En dan niet over de gezondheid maar over het TYPE van de honden!

Rasverenigingen kunnen ook hun leden stimuleren wat vaker naar tentoonstellingen te gaan.Niet één of twee keer om de verplichte ZG te halen, maar om echt mee te doen en om te laten zien wat ze gefokt hebben en hoe de kwaliteit van die fokproducten is vergeleken met de andere honden. En dan niet zeggen “het zijn altijd dezelfden die winnen”, maar kijken waarom die anderen winnen, wat die honden dan meer of beter hebben dan de eigen hond.

Het kan best heel lang duren voordat iemand doorheeft wat een hond mooi maakt en wat dat “supertype” is. Maar leren doe je niet door naar de tentoonstelling te komen, je hond voor te brengen en zodra deuren open gaan direct weer naar huis te gaan.

De discussie over soundness versus type zal nooit ophouden, maar als wij met z’n allen niet oppassen en als tentoonstellinggevende verenigingen zich blijven bezondigen aan het uitnodigen van veel meer allrounders dan echte rasspecialsiten, raken we het rastype voor altijd kwijt.